Mehring

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Mehring01.JPG

Johannes Mehring (1815-1878) werd geboren in het gehucht Kleinniedesheim nabij de stad "Worms am Rhein". Zijn vader had er een klein boerenbedrijfje. Johannes wilde eerst leraar worden, maar maakte (om financiële redenen[1]) zijn leraren-opleiding niet af waarna hij een opleiding tot meubelmaker volgde. Hij werkte daarna (zoals toendertijd de gewoonte was) als gezel in verschillende ateliers, tot hij zich met een eigen bedrijf vestigde in zijn geboortedorp. Sinds 1849 had hij een bijenstand achter zijn huis. Hieran besteedde hij al gauw zoveel tijd dat hij problemen met zijn meubel-klanten kreeg.


Johannes Mehring heeft de volgende bijdragen aan de bijenteelt geleverd:

  • De utvinding van het kunstraat als middenwand.
  • Suiker als wintervoeding voor de bijen.
  • Het bijenvolk als organische eenheid.

Deze bijdragen worden onderstaand toegelicht.


De utvinding van het kunstraat als middenwand

Mehrings' houten Kunstraatmallen open.

De in 1846 geïntroduceerde kast met de “uitneembare raatjes” van Dzierzon had de behoefte aan een soort van "geleidingsraat" doen ontstaan om aldus de bijen bij de raatbouw te kunnen sturen. Ook Mehring begon hierover na te denken.

In 1856 schrijft pastoor Scholz aan von Berlepsch (die als verdere uitwerking van de kast van Dzierzon met een kast met uitneembare raampjes werkte), dat hij erover dacht met wafelijzers kunstraat te maken. Wafelijzers waren in die tijd heel gewoon, zoiets moest met bijenwas toch ook kunnen. Kunstraat werd hier dus gezien als een volledig nagemaakte raat inclusief de opbouw van de cellen.

In 1857 laat von Berlepsch in de Eichstädter Bienenzeitung weten dat hij bezig was om met rubber een stukje raat op te bouwen. Hij hoopte dan later de honing uit die rubberen raten te kunnen persen zoals water uit een spons. Leraar Jedermann laat hem een stukje raat zien, dat hij van was had opgebouwd. Dat was nogal een arbeidsintensieve klus geweest en was dus voor de praktische imkerij niet van betekenis.

Redacteur Schmid van de Eichstädter Bienenzeitung kwam vervolgens met het voorstel om slechts halve celletjes op te bouwen. Het is niet bekend of deze voorzet door Mehring is gelezen, maar dat ligt wel voor de hand aangezien hij in nummer 2 van jaargang 1857 van de Eichstädter Bienenzeitung als medewerker werd begroet.

De mallen gesloten tussen verticale houders zodat het precies op elkaar past.

Mehring kwam uiteindelijk op de gedachte dat alleen de middenwand zonder de volledige celopbouw wellicht ook al voldoende was om de bijen naar een prachtige uitbouw te leiden. Het gieten van gesmolten bijenwas op een mal zou wellicht het gewenste resultaat kunnen geven. Op een plankje hardhout sneed hij daarom nauwkeurig alleen de bodems van de raatcellen uit, 9 cellen op 5 cm. Hierbij zou hij gebruik hebben gemaakt van een door een goudsmit gemaakte gietvorm van bijenraat [1].

In nr.301 van de Pfälzische Bienenzeitung meldt Mehring, dat hij, op 23 dec. 1857, met succes een eerste poging had ondernomen om kunstraat te gieten. Redacteur Schmid nam deze mededeling ook over in de Eichstädter Bienenzeitung met het verzoek aan Mehring om zijn uitvinding gedetailleerd te beschrijven zodat alle imkers op die manier kunstraat kunnen maken. Mehring gaat niet op dat verzoek in. Liever verkocht hij kunstraat.

Op het grote imkercongres in Stuttgard in 1858 laat Mehring zijn kunstraat ook zien. Sindsdien sprak men verrukt over dit “Wonder van Stuttgard”. Het vervaardigen van de Mehrings' kunstraat kostte nog geen kwartier voor één persoon; met z’n drieën maakten ze 4 plaatjes in een uur. Mehring legde zich toe op het verbeteren van zijn techniek om zodoende sneller meer kunstraat te kunnen maken en verkopen. Een paar jaar later zou Mehring tot 100 raten per dag komen.

Later zou het pastoor Scholz, op aanwijzingen van Mehring lukken, met ijzeren mallen, raten tweezijdig te persen. Tegenwoordig zijn er ook kunststofmallen en is het eenvoudiger geworden de raten uit de mallen los te krijgen.


Suiker als wintervoeding voor bijen

De verkoop van persvormen en vooral de vraag naar kunstraat zelf was dermate groot, dat de wasproductie van de bijen van Mehring ver achter bleef bij de vraag. Mehring ontdekte de samenhang tussen honingproductie en wasproductie; de drachtmogelijkheden evenwel in de Rhein-Palz lieten te wensen over. Daar evenwel vond hij iets op: hij perste kersen uit en voegde aan het aftreksel suiker toe; hij fabriceerde een speciale voerbak en gaf het mengsel aan zijn bijen: De wasproductie schoot omhoog! In zijn buurt stond een moutfabriek; dit bracht hem op het idee aan zijn bijensuiker ook moutsuiker toe te voegen ( met het enzym amylase brak hij mout af tot maltose).

Vervolgens kwam hij ook op het idee zijn bijen in te winteren met suiker; met Dathé en Freudenstein werd hij aldus een pionier van de wintervoeding met suiker.

Nu ontstond er een probleem: de honing die hij op de markt bracht, was ook een product van suikervoeding!! Hij kwam hiermee in conflict met niemand minder dan August Baron von Berlepsch, die zijn honing afkeurend “Kunsthoning” noemde.

Heden ten dage wordt suiker als wintervoeding algemeen geaccepteerd (en ter voorkoming van roer soms zelfs wel aanbevolen); suiker als honing-oogstvermeerdering heet: "honingvervalsing”. Berlepsch' mening bleek vooruitziend.


Het bijenvolk als organische eenheid

On 1868 publiceerde Mehring zijn boek “Das neue Einwesensystem als Grundlage zur Bienenzucht, oder Wie Der rationelle Imker den höchsten Ertrag von seinen Bienen erzielt. - Auf Selbsterfahrungen gegründet.”

In dit boek spreekt Mehring hij zich uit voor het bijenvolk als organische eenheid waarbinnen de moer, darren en werksters niet méér zijn dan delen van het ene dierlijke organisme dat hij “Der Bien” noemde. Het boek werd met bijtende kritiek ontvangen als “Jammer van het papier en de mooie druk.” Ver na zijn dood zal Ferdinand Gerstung (die ook de Gerstungkast ontwikkelde) hem rehabiliteren als hij onafhankelijk tot dezelfde opvatting komt: diens boek “Der Bien und seine Zucht” uit 1891 zal het in korte tijd tot 7 drukken brengen.

Johannes Mehring overleed op 24 november 1878 aan een maagziekte. Hij was toen 63 jaar.


Bronnen


Voetnoten

  1. 1,0 1,1 L.J. Van Rhijn. Een 75-jarig jubileum, Maandblad voor bijenteelt, november 1933