Renson broedbeperking

Uit Imkerpedia
Versie door Albert Stoter (Overleg | bijdragen) op 19 mrt 2020 om 16:00

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Renson broedbeperking is een methode voor het houden van bijen en is bedacht door Henri Renson.

Normaal gesproken overwintert een volk met 6 tot hoogstens 8 ramen bijen, en net tegen de tijd dat ze op de voorjaarsdracht staan is er zoveel open broed aanwezig dat er veel bijen thuis moeten blijven om dit broed te voeden en op temperatuur te houden.

In de rensonmethode wordt de moer, vanaf de voorjaarsdracht (rond 20 april) tot eind juni, tussen moerroosters binnen een beperkt aantal broedramen 'opgesloten', zodat er:

  1. minder eitjes door de moer gelegd kunnen worden, zodat er
  2. minder open broed verzorgd hoeft te worden, zodat er
  3. meer bijen (versneld) haalbij zullen worden (die bovendien langer leven [1]) , waardoor er
  4. een grotere honingoogst binnen komt, en er
  5. meer (overgebleven) stuifmeel aanwezig is voor de aanmaak van de aanstaande winterbijen.

Het aantal ramen waarbinnen de moer moet worden opgesloten moet in totaal zo'n 30.000 cellen bevatten. Per gehanteerde raammaat zal dat aantal ramen uiteraard verschillend zijn, maar je kunt het aantal ramen berekenen door uit te gaan van 800 cellen per dm² raat (beide zijden gerekend).

  • Zo bevat een simplex honingkamerraam (1,2 dm x 3,4 dm x 800 cellen =) 3264 cellen, zodat je die dus prima in zijn geheel als rensonkamer zou kunnen gebruiken. Niet vergeten om daarin ook een bouwraam te plaatsen zodat er ook darren kunnen worden aangezet.
  • Gebruik je de simplexbroedkamer als rensonkamer, dan is het toegestane broednest zes broedramen plus een bouwraam. De overtollige ruimte in de simplexbroedkamer kun je dan bijvoorbeeld wegwerken met de plaatsing van vulblokken.

Bijkomende voordelen van deze methode (naast de hogere honingopbrengst):

  • de gemakkelijkere controle op moerdoppen, die zich nu beperkt tot de kleine broedruimte, en
  • minder zwermneiging doordat volksgrootte getemperd en stabiel is,
  • als er wel gezwermd wordt kan de moer niet mee zodat de zwerm weer terug komt,
  • de moer kan langer mee.

Om tijdig voldoende winterbijen te hebben moet eind juni de moer weer de normale volle broedruimte worden gegeven en moet de hoeveelheid beschikbaar voer (eigenlijk zoals altijd) goed in de gaten worden gehouden.

Als volken op meer 13 ramen uit de winter komen is de rensonmethode niet nodig. Zo'n volk heeft al een mooie verhouding tussen de binnen- en buitendienst om een goede honingoogst binnen te halen.

Werkschema Renson

Na de reinigings-vlucht bij een temperatuur boven de 12 graden, ergens in 2e helft van februari (liefst pas eind februari):

  • Het volk terugzetten op 1 broedkamer. Dit gebeurt dus nog min of meer tijdens het laatste staartje van de winterzit. Dit terugzetten heeft een positieve invloed op de warmtehuishouding.
    • Er moet op worden gelet dat er géén ramen met veel stuifmeel worden verwijderd. De stuifmeelvoorraad moet voor de inwintering in de bovenbak worden gehangen zodat het bijenvolk in het voorjaar op het stuifmeel zit en voldoende eiwitten ter beschikking hebben om de jonge larven van voedsel te voorzien
  • De voederkrans boven de middelste 2 broedramen openkrabben[2]. Na 7 tot 10 dagen zijn de 2 ramen links en rechts naast het broednest aan de beurt om te worden open gekrabd. Eventueel 10 dagen later nog eens herhalen. Doel is dus om de onderbak vol met lege cellen te krijgen zonder de stuifmeelvoorraad aan te tasten.

Medio maart wanneer de wilg gaat bloeien:

  • De rensonkamer op de onderbak plaatsen waardoor de koningin haar broednest naar boven naar de rensonkamer zal uitbreiden.

Omstreeks [3] 20 april:

  • Tussen de 2 bakken een moerrooster plaatsen en de koningin in de rensonkamer "opsluiten".
  • Vervolgens boven de rensonkamer nogmaals een moerrooster leggen en een honingkamer plaatsen.
    • In deze honingkamer 5 tot 6 vellen kunstraat hangen.
    • Bij goede dracht dient tijdig (voordat ook de rensonkamer wordt volgedragen met honing, want dat kan je zelfs de moer gaan kosten) direct boven het bovenste moerrooster (dus onder de dan reeds gevulde honingkamer) een 2e honingkamer bijgeplaatst worden.
    • Bij het oogsten van de honing opletten dat er voldoende voer voor de bijen zelf overblijft want in de rensonkamer zit normaal gesproken nauwelijks honing.
  • Na de voorgaande handelingen heeft het volk dus 3 kamers waarvan alleen de middelste (de rensonkamer) beschikbaar is voor broed.

Negen dagen na de vorige stap:

  • De onderste kamer controleren op moerdoppen. Meestal zijn deze er niet aangezien de onderste kamer nu alleen nog door de haalbijen wordt gebruikt als opslagkamer voor stuifmeel en tijdelijke opslag van honing. Haalbijen zijn geen bouwers, dus ook niet van moerdoppen.
  • Eveneens de rensonkamer op doppen controleren, en dit vervolgens om de 10 dagen herhalen.
    • In deze kamer bevinden zich vooral jonge rustige bijen hetgeen het controleren vergemakkelijkt.
    • Indien in de rensonkamer doppen worden gevonden, deze verwijderen. Als een volk na enige controles doppen blijft aanzetten dan deze koningin opruimen en na 5 dagen een jonge bevruchte koningin invoeren.

Op 1 juli:

  • Het moerrooster tussen bak 1 en 2 wegnemen waardoor de koningin ook weer naar de onderste broedkamer (met inmiddels veel stuifmeel) kan afzakken.

Zodra de zomerdracht voorbij is:

  • Laatste honingkamer wegnemen,
  • direct daarna zonodig bijvoeren,
  • daarna een methode van varroabestrijding toepassen.

Op 1 augustus:

Het voorkomen van het door darren verstoppen van de moerroosters

Niet alleen de moer, maar ook de darren zullen niet uit de rensonkamer kunnen. Dit kan leiden tot het verstoppen van de moerroosters aangezien deze darren zich toch (tevergeefs) door de moerroosters zullen trachten te wringen, en dan daar vast komen te zitten. Dit probleem kan op verschillende manieren worden aangepakt:

  • Bij de 10-daagse controles telkens zoveel mogelijk darren naar de onderbak vegen. Bij de controles zullen de darren hoe dan ook (bij mooi weer massaal) de rensonkamer ontvluchten.
  • Door het toepassen van de darrenraatmethode.
  • Indien er door de grootte van de toepaste broedkamer moet worden gewerkt met vulblokken, dan kan er in plaats van het gebruik van vulblokken ook worden gewerkt met moerroosterconstructies aan de zijkant(en) van het broednest. De lege ruimte vul je dan niet op met vulblokken, maar kan nuttig worden gebruikte voor stuifmeelopslag of om er een darrenraam in te hangen. Om de 2 zwermcontrolebeurten kan het darrenbroed uit de rensonruimte worden genomen en simpel aan de buitenzijde van een moerroosterraam worden gehangen[4]. De darren kunnen hier nu ongehinderd naar beneden en buiten. In de rensomkamer plaats je een nieuw bouwraam.
    • Hierbij is er uiteraard wel voor gezorgd dat het onderste moerrooster buiten de rensonkamer wèl doorlaatbaar is voor darren.
    • Tevens moet je goed opletten dat gedurende de controles de moer niet in die ruimte naast de rensonkamer duikt.

Voetnoten

  1. Broedverzorging gaat ten koste van het eiwit-vetlichaam en daardoor ten koste van de levensduur van de bij. Andersom geredeneerd ontstaat de langlevende winterbij onder andere juist doordat er in het najaar minder bijen geboren en dus verzorgd hoeven worden
  2. Zo'n voederkrans kan anders later een barriere vormen bij het naar boven uitbreiden van het broednest.
  3. Vóór 20 april als het volk naar zwermstemming neigt, ná 20 april als het volk nog niet sterk genoeg is.
  4. Op de plaats van het de eerste keer pas dan uit te nemen vulblok, of van het inmiddels helemaal uitgelopen darrenraam van de vorige keer.