Rijksbijenteeltconsulent

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Voordat L. van Giersbergen de eerste rijksbijenteeltconsulent werd was hij ook al in dienst van de overheid als zogeheten 'wandelleraar' (sinds 1905).

Op 1 januari 1918 werd het Rijksbijenteeltconsulentschap opgericht en per gelijke datum werd L. van Giersbergen benoemd tot (de eerste) rijksbijenteeltconsulent.

Blijkbaar was men van overheidswege niet zo erg gelukkig met de gang van zaken met betrekking tot de organisatie rond de bijenteelt tot dan toe.

Teneinde meer mogelijkheden te scheppen voor het onderwijs in de bijenteelt werd in 1918 gestart met een opleiding voor leerkrachten in de bijenteelt.


In 1920 werd dr. ir. A. Minderhoud benoemd tot adjunct-rijksbijenteeltconsulent en toegevoegd aan de heer L. v. Giersbergen waarna in 1921 zijn benoeming tot Rijksbijenteeltconsulent volgde. Gelijktijdig met deze benoeming werd het land verdeeld in twee ambtsgebieden waardoor er twee consulentschappen ontstonden welke beiden gevestigd bleven in Wageningen. De scheidslijn tussen beide gebieden werd gevormd door de lijn Arnhem-Harderwijk waarbij de heer L. v. Giersbergen het zuidelijk en westelijk deel van het land tot ambtsgebied kreeg toegewezen en dr. ir. A. Minderhoud het noordelijk en oostelijk deel.


Teneinde een mogelijkheid te verkrijgen de honingproduktie in betere banen te leiden werd in 1925 het Honingbesluit afgekondigd. Als een uitvloeisel hiervan volgde in 1930 de oprichting van de Vereniging Nederlands Honingstation[1] waarvan dr. ir. A. Minderhoud voorzitter werd. Deze vereniging is geen succes geweest en werd dan ook in 1937 weer opgeheven.


In 1935 kreeg dr. ir. A. Minderhoud van zijn directie de opdracht om zijn voorlichtende taak uit te breiden tot de teelt van zijderupsen. Na de pensionering van de heer L.v. Giersbergen in 1937 werd in 1939 ir. J.F.A.M. Mommers benoemd tot adjunct-rijksbijenteeltconsulent en toegevoegd aan dr. ir. A. Minderhoud, die inmiddels weer geheel Nederland als ambtsgebied had toegewezen gekregen.


In het jaar 1945 werden vervolgens weer twee rijksbijenteeltconsulentschappen gevormd. Dr. ir. A. Minderhoud kreeg het noordelijk gedeelte van Nederland als ambtsgebied toegewezen, terwijl ir. J.F.A.M. Mommers Rijksbijenteeltconsulent werd voor het zuidelijk gedeelte van Nederland met als standplaats Tilburg. In 1946 werden er enkele assistenten voor de consulenten benoemd.


Na de oorlog werd door de samenwerkende organisaties op het gebied van de bijenteelt besloten tot de oprichting van de Stichting Bedrijfsraad Bijenhouderij in Nederland. Binnen deze bedrijfsraad werden weer twee stichtingen gevormd en wel de Stichting Instituut Bijenonderzoek gevestigd te Wageningen met als directeur dr. ir. A. Minderhoud en de Stichting Ambrosiushoeve gevestigd te Hilvarenbeek met als directeur, ir. J.F.A.M. Mommers.


Als gevolg van de steeds groter wordende uitbreiding van de bijenziekten werd op 26 november 1946 een Koninklijk Besluit[2] afgekondigd betreffende de te nemen maatregelen tot wering en bestrijding van besmettelijke ziekten onder de bijen. Het betrof voornamelijk de tracheeënmijtziekte welke zich sterk verbreidde. Deze algemene maatregel van bestuur werd in 1947 vervangen door een regeling bij wet[3]. Daar de Veeartsenijkundige Dienst het onderzoek van de bijenmonsters niet meer aankon werd in afwijking van de normale gang van zaken bij dierziekten het onderzoek naar en de bestrijding van ziekten bij bijen, alsmede de controle hierop, volledig in handen van Rijksbijenteeltconsulenten gelegd.


In 1952 raakte de bijenteelt in grote financiële moeilijkheden. Vele imkers ruimden als gevolg hiervan hun bijenvolken op en aan de regering werd verweten dat zij de imkers te weinig steun had verleend. In 1955 volgde dan ook een steunmaatregel. Beginnende imkers konden van overheidswege een subsidie krijgen voor de aanschaf van twee bijenkasten.


De Stichting Ambrosiushoeve, oorspronkelijk gevestigd op een vervallen boerderij, genaamd Lisa's Hoeve te Hilvarenbeek en op 24 februari 1951 officieel geopend, was onder de bezielende leiding van ir. J.F.A.M. Mommers inmiddels uitgegroeid tot een unieke proefbijenstand.

Na de pensionering van dr. ir. A. Minderhoud in 1959 werden de twee consulentschappen weer samengevoegd tot één consulentschap voor geheel Nederland met als Rijksbijenteeltconsulent ir. J.F.A.M. Mommers. Dit consulentschap was gevestigd op het woonadres van ir. J.F.A.M. Mommers te Tilburg. Het personeel was ondergebracht op de Ambrosiushoeve te Hilvarenbeek. Bij een reorganisatie in 1969 werd de naam van het consulentschap gewijzigd in Algemene Dienst voor de Bijenteelt. De naam van de consulent bleef in overeenstemming met de bijenwet rijksbijenteeltconsulent.


Op 31-10-1973 werd ir. J.F.A.M. Mommers gepensioneerd en als consulent opgevolgd door ir. J. Pettinga die reeds sedert 1-9-1969 aan het consulentschap verbonden was. Met een verzelfstandiging in 1990 verdween ook de functie van rijksbijenteeltconsulent.


Voetnoten

  1. Koninklijk Besluit 57, 17 mei 1930.
  2. Koninklijk Besluit G291, 21 oktober 1946.
  3. De Bijenwet van 1947.