Stuifmeel: verschil tussen versies

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Regel 2: Regel 2:
  
  
Alleen in de eerste 10 tot 11 dagen na het popstadium kan de volgroeide werkbij stuifmeel consumeren. Als voedsterbij kan ze dat voedsel (vanaf dag 4 in de [[binnendienst]]) dan ook goed gebruiken om het verlies aan eiwit vanwege het voeden weer aan te vullen.
+
[[image:Stuifmeelkleuren.JPG|thumb|410px|right|Samengesteld door Roger De Croock: De kleur van de stuifmeelklompjes verraden op welke bloemen onze bijen het stuifmeel verzamelden]]Alleen in de eerste 10 tot 11 dagen na het popstadium kan de volgroeide werkbij stuifmeel consumeren. Als voedsterbij kan ze dat voedsel (vanaf dag 4 in de [[binnendienst]]) dan ook goed gebruiken om het verlies aan eiwit vanwege het voeden weer aan te vullen.
  
  

Versie van 4 dec 2009 om 12:45

Bijen hebben stuifmeel vooral nodig voor de eiwitten om de larven te voederen vanaf de derde dag nadat ze uit het ei zijn gekropen. Omdat het stuifmeel van verschillende planten verschilt in samenstelling is een gevarieerde consumptie van stuifmeel zeer belangrijk. Indien er slechts een eenzijdig aanbod van stuifmeel is dan kan dat in het bijenvolk leiden tot gebrekkige uitvoering van bepaalde taken. Bijen die bijvoorbeeld hoofdzakelijk zijn opgegroeid met stuifmeel van de paardebloem zijn niet in staat was te produceren. In stuifmeel van de paardebloem ontbreekt namelijk het essentiële eiwit arginine.


Samengesteld door Roger De Croock: De kleur van de stuifmeelklompjes verraden op welke bloemen onze bijen het stuifmeel verzamelden
Alleen in de eerste 10 tot 11 dagen na het popstadium kan de volgroeide werkbij stuifmeel consumeren. Als voedsterbij kan ze dat voedsel (vanaf dag 4 in de binnendienst) dan ook goed gebruiken om het verlies aan eiwit vanwege het voeden weer aan te vullen.


De bijen zijn voorzien van een stuifmeelkorfje op hun achterpoten waar ze het stuifmeel verzamelen en naar de kast vervoeren. Het stuifmeel wordt eerst in cellen opgeslagen. Een bij die stuifmeel in een cel wil doen, steekt haar achterlijf inclusief de achterpoten in een cel. Vervolgens veegt ze met de ene achterpoot het stuifmeel van de andere. Als beide klompjes los zijn gekomen kruipt de bij weer uit de cel en stampt de klompjes met haar kop aan.

Vervolgens ondergaat dat stuifmeel nog een fermenteringsproces waardoor het bijenbrood ontstaat. Dit proces duurt nog eens 14 dagen, vooraleer de bijen het daadwerkelijk kunnen gebruiken. Immers ruw stuifmeel kunnen larven niet verteren. Het gefermenteerde bijenbrood, bevat naast het stuifmeel (eiwitten en aminozuren) nog andere stoffen zoals fermenten, melkzuren, maar ook vitaminen die door het fermenteren worden aangemaakt.

Vers stuifmeel is kwalitatief het beste, maar in het vroege voorjaar zullen de winterbijen het moeten doen met een voorraad stuifmeel aangelegd in het voorgaande jaar, het bijenbrood. Met een immer uitbreidend larvenbestand zal dit al snel onvoldoende zijn zodat het belang van een aantal mooie dagen in het vroege voorjaar, terwijl er al een aantal natuurlijke stuifmeelleveranciers zoals het krokusje of de wilg zijn, niet onderschat kan worden.


Er bestaan geen kunstmatige vervanginsmiddelen die stuifmeel voor 100% kunnen vervangen:

  • geen stuifmeel: bijen leven 29 – 30 dagen (hier ontvangen de larven hun eiwit dus enkel op basis van het eiwitlichaam van de voedsterbijen)
  • mais stuifmeel: bijen leven 29 – 30 dagen (dat lijkt dus geen toegevoegde waarde te hebben!)
  • paardebloem : bijen leven 39 dagen
  • appel stuifmeel: bijen leven 42 – 49 dagen
  • wilgen stuifmeel: bijen leven 46 dagen


Volgens Bijen@wur wordt ingeveer 16% van de bestuiving door bijen verricht. Oftewel bij 'slechts' zo'n 40.000 plantensoorten. Met 'bijen' wordt hier niet alleen de honingbij (Apis) bedoeld, maar ook de Bombus en de solitairen).


Literatuur

  • Peter Elshout. Voedsel voor bijen. Bijenhouden, maandblad voor bijenhouders, mei 2008
  • Wim Reybroeck. Voedingswaardebepaling van stuifmeel, vóór en na fermentatieprocessen, voor honingbijen (Apis mellifera L.) (1983):